Hebben we het hele jaar hetzelfde risico om ziek te worden van het coronavirus? Of is COVID-19 een seizoensgebonden ziekte? Sinds de eerste besmettingen in China afgelopen winter wordt hier veel over gespeculeerd. De wereldwijde toename van dit moment suggereert dat het 'seizoenseffect' zwak is en beleid een veel grotere factor.

Een griepgolf valt vaak in het vroege voorjaar en ook gewone verkoudheden komen vaker voor in het winterhalfjaar. Bij relatief onschuldige virussen is het een gegeven waar we weinig bij stilstaan, maar bij het COVID-19-virus zijn de maatschappelijke belangen groot: als de kans op besmetting in de winter duidelijk hoger is, kan dit betekenen dat ons zorgstelsel dan onder grote druk komt te staan.

Aan de andere kant zou een sterk seizoenseffect extra ademruimte geven in de zomer, waardoor versoepelingen mogelijk zijn in het beleid. NU.nl probeert daarom de vinger aan de pols te houden bij dit onderwerp.

Winterse omstandigheden vaak ideaal voor verspreiding

Eind februari interviewden we virologen over de theorie. Veel virussen verspreiden minder goed in warme en vooral in vochtige lucht. In de wintermaanden is het niet alleen buiten koud, maar is de lucht in gebouwen ook erg droog, een ideale omstandigheid voor verspreiding van virussen. Zeker aangezien we in de winter vaak dichter op elkaar zitten.

Toen bleef alleen de vraag hoe sterk dit mechanisme is. Twee maanden later bood laboratoriumonderzoek een voorzichtig antwoord: het nieuwe coronavirus blijkt ook bij temperaturen van 37 graden twee dagen buiten het menselijk lichaam besmettelijk te blijven. Het temperatuureffect is dus zwak.

Onze conclusie eind april: "Zolang immuniteit ontbreekt, kan het virus makkelijk de kop opsteken als menselijk contact weer toeneemt. Ook in het midden van de zomer."

Actuele statistieken tonen toename in warme klimaten

Een nieuwe lijn van bewijs komt uit de actuele statistieken. Zo wordt een sterke toename gezien van het virus in warme en vochtige Afrikaanse landen, in Brazilië en in India, waar de luchtvochtigheid door het regenseizoen momenteel juist zeer hoog is.

En bijvoorbeeld Iran heeft midden in de hete zomer van dat land een tweede golf te pakken. Dat is vergelijkbaar met veel Europese landen, waar het virus weer toeneemt terwijl het hoogzomer is.

Ook omgekeerd lijkt het seizoenseffect zwak: Nieuw-Zeeland heeft het virus relatief goed onder controle, terwijl het er juist winter is; de periode dat je daar theoretisch juist de piek zou verwachten.

Tienduizend besmettingen in Nederland

En Nederland dan? Volgens het coronadashboard van de Rijksoverheid is het actuele reproductiegetal 1,4 - maar dat cijfer dateert van half juli. Als het nog zou gelden, zou het betekenen dat de circa 16.000 besmettelijke mensen die er momenteel naar schatting van het RIVM in Nederland zijn, ruim 22.000 anderen zullen besmetten.

De toename blijkt ook uit de weekcijfers. Er zijn afgelopen week bijna twee maal zo veel nieuwe besmettingen gemeld als de week ervoor, terwijl er minder is getest.

Pas als het reproductiegetal weer onder de 1 is, neemt het aantal besmettingen af. Zo'n lage reproductiewaarde werd in Nederland onder andere in april bereikt, toen relatief strenge maatregelen golden.

Regels voor hygiëne en afstand bewaren, en de naleving daarvan, lijken dus de belangrijkste factor om verspreiding tegen te gaan. Ongeacht of het lente, herfst, zomer of winter is.