Netherlands

Grootgebracht achterop de solex

De pruttelende fiets met hulpmotor fascineert hem sinds zijn jeugdjaren. De solex verdween uit het straatbeeld, maar Ynte Kuindersma (71) uit Joure organiseert nog steeds toertochten. Hij kent de motortjes in zijn omgeving zelfs aan het geluid. „Als er hier eentje langskomt, weet ik wie de eigenaar is.”

Een steil trapje in de gang naast de garage – door een opeenstapeling van spullen maar van één kant bereikbaar – voert naar de zolder van de garage. Er klinkt draaiorgelmuziek. Boven wacht de boomlange inwoner van Joure op zijn bezoek. Hij draagt klompen met het solexembleem, om zijn hals hangt een sjaal met blauwe en witte banen en de rode hartvormige bladen van de Friese vlag. Boven aan het laddertje staan klompen in de kleuren van de provinciale vlag. Die zijn bestemd voor buiten.

Het eerste deel van de zolder is gevuld met tal van kermis- en circusspullen, maar om het achterste deel is het te doen. Daar staat een vijftiental solexen. De legendarische tweewielers verkeren in originele staat. „Ze hebben hun eigen verhaal. Enige wat ik doe is zorgen dat-ie kan rijden.”

Het zijn allemaal verschillende modellen, de oudste van vlak na de Tweede Wereldoorlog toen, het vervoermiddel zijn opmars begon. De wanden en de ruimte tussen de solexjes zijn geheel gevuld met talloze attributen, variërend van schaalmodelletjes tot blikken waarin olie voor het tweetaktmotortje werd opgeborgen en van een gevulde vitrinekast tot geëmailleerde fabrieksemblemen. Afkomstig uit geheel Nederland en soms ook daarbuiten. Kuindersma spoorde ze de voorbije decennia op bij fietsenmakers en verzamelaars. Steeds vaker kreeg hij dankzij mond-tot-mondreclame allerlei dingen aangeboden. „De eerste solex trok ik letterlijk uit de mest. Die lag achter de schuur, onder een dikke laag.”

Wereldreis

Kuindersma is niet alleen voorzitter van de plaatselijke solexclub AOW (Altijd Onderweg) die hij 34 jaar geleden oprichtte. Hij is al vele jaren voorman van het overkoepelend orgaan van alle Nederlandse verenigingen van liefhebbers van het pruttelmotortje. „Eigenlijk ben ik geboren op de solex”, vertelt hij aan de tafel in de keuken van zijn hoekwoning. „Mijn vader reed een Berini, mijn moeder een solex. Vader schafte op latere leeftijd een motor aan, maar moeder is de solex altijd trouw gebleven.” Een auto hadden ze niet, dus als ze op vakantie gingen, was dat op de fiets met hulpmotor. „Vakantie was toen een dagje weg. Dan reden we naar Urk, een wereldreis. Ik zat achterop, met mijn voeten in de fietstassen.”

Het al voor de Tweede Wereldoorlog in Frankrijk ontwikkelde motortje voor de fiets beleefde in de jaren vijftig en begin jaren zestig een bloeiperiode. In Nederland werden solexen van 1948 tot 1976 in licentie gemaakt. Later werden ze geïmporteerd vanuit Frankrijk. „De in Nederland vervaardigde exemplaren zijn de beste ooit”, zegt Kuindersma.

De allereerste types bestonden alleen uit een motortje dat op een fiets kon worden aangebracht. Het motortje moest in stilstand worden omhooggetrokken. Later kwam er een zogenaamde differentieelkoppeling. Toen werd ook het frame aangepast. „In vaktaal heet die uitvoering de solex-oto. Die ging ook wat harder dan de eerste generatie.”

De opkomst van andere type brommers en de invoering van de helmplicht in 1972 pakte volgens hem verkeerd uit voor de solex. „Mensen wilden niet met een helm op hun hoofd op een gemotoriseerde fiets. Bovendien nam de concurrentie van verschillende brommermerken toe.”

In 1985 stond Kuindersma aan de wieg van AOW. „Er werden in die tijd overal solexraces gehouden.” De Friese club was vele jaren toonaangevend en zelfs organisator van de wereldkampioenschappen.

Leren jassen

Verzamelen, ledenwerving en reparatie gingen bij de bekende inwoner van Joure hand in hand. Met enkele vrienden ging hij op zoek naar oude exemplaren en stroopte hij stad en land af. „Die repareerde ik en verkocht ik weer. Met lidmaatschap van de club als voorwaarde. Zo heb ik het ledental met zeker tachtig opgekrikt. AOW groeide uit tot 300 leden. Daar zijn er nu nog zo’n honderd van over.” Echt rouwig stemt hem dat niet. „We hadden tal van papieren leden, goed voor de contributie, maar verder zag je die mensen nooit.”

Tegelijk met de reparatie en de verkoop legde de voormalige timmerman zich toe op het verzamelen van solexattributen en hield hij een aantal exemplaren achter de hand. Toen er een nieuwe garage werd gebouwd, zag hij zijn kans schoon om een deel ervan in te richten voor zijn privécollectie. Die heeft inmiddels een museaal karakter. Daarnaast is hij organisator van jaarlijkse toertochten. „Meestal gaan we dan met 25 tot 30 leden op stap.”

De beelden uit de jaren vijftig van de vorige eeuw spreken volgens hem hun eigen taal. Op zwart-witfoto’s zijn ze te zien: de wijkverpleegster, de dominee en de dokter, gehuld in een lange jas. „Ik ben daarom leren jassen gaan verzamelen. Dat kreeg steeds meer bekendheid. Op een gegeven moment vond ik hier complete pakketten voor de deur. Ik had er wel vijftig hangen en de kapstok stond op instorten.” Via hem kregen alle clubleden een passende jas. Een ander deel deed hij via Marktplaats de deur uit.

De leden van AOW dragen tijdens tochten verder pothelmen en klompen. „Die pothelmen bieden maar een beperkte bescherming, maar geven wel een mooi beeld.” Het ziet er nu naar uit dat voor snelheden tot 25 kilometer per uur echte valhelmen eveneens verplicht worden. Hij heeft er alvast eentje aangeschaft, geschilderd in de kleuren van de Friese vlag. „Misschien wordt dit straks de nieuwe outfit voor de leden.”

Druppeltje olie

Kuindersma ziet met lede ogen aan dat het aantal liefhebbers overal enigszins afneemt. „De vergrijzing slaat toe, net als bij veel andere verenigingen.” Er zijn nog circa 65 clubs. Landelijk schat hij het aantal leden op circa 2000. De strengere milieunormen maken het de solexliefhebbers moeilijk om bepaalde tochten te organiseren. Als voorzitter van het overkoepelend orgaan was de Fries de voorbije jaren met tal van gemeentebesturen en andere organisaties in gesprek. „Zo hebben we ontheffing gekregen voor een jaarlijkse tocht in Amsterdam. Zonder overleg kom je stad niet meer in.”

In de werkplaats achter zijn garage sleutelt hij nog bijna dagelijks aan zijn eigen solex of die van anderen. Onderdelen voor de automaat zijn nog volop verkrijgbaar. Voor de oudere exemplaren heeft hij in de loop der jaren kisten vol verzameld. „Wat dat betreft zijn er voorlopig geen problemen.” Overigens wordt de solex, zelfs in een elektrische uitvoering, nog steeds gemaakt. De productie heeft zich via Hongarije verplaatst naar China. „Maar de kwaliteit is stukken minder.”

Veel solexen kwamen de voorbije decennia terecht bij verhuurbedrijven. „Die hebben veel oude exemplaren opgekocht en laten uit China partijen nieuwe tweewielers overkomen. We hebben aanvankelijk geaarzeld, maar die bedrijven wel de mogelijkheid geboden om clublid te worden.”

De wereldkampioenschappen zijn enkele jaren geleden gestopt. Ook het Nederlands kampioenschap is niet meer. „De papierwinkel werd te groot en de kosten liepen op.” Kuindersma vreest een verdere afname van de belangstelling. Wat er met zijn collectie gebeurt, weet hij niet. Hij heeft nu een beetje zijn hoop gevestigd op een van zijn kleinzoons. De 9-jarige jongen is vaak bij hem te vinden. „Hij sleutelt heel graag, haalt delen van het motortje in een handomdraai uit elkaar en weet precies waar hij een druppeltje olie moet aanbrengen.”

Premier Rutte op bezoek

Zelfs premier Mark Rutte beklom het zoldertje van Ynte Kuindersma om een blik te werpen op de grote verzameling solexen en aanverwante spullen.

Het was Kuindersma zelf die de bewindsman bewoog tot een bezoek aan zijn huis in november 2013. „In verband met de herindeling en vervroegde raadsverkiezingen in deze regio kwam Rutte naar Joure. Ik sprak tijdens een verkiezingsbijeenkomst de premier aan en zei hem dat het mooi zou zijn als hij eens persoonlijk bij mij langskwam. „Dat doe ik”, zei hij, waarop ik aangaf ook graag eens in het Torentje te willen kijken. „Ook dat staat”, was zijn antwoord. Enkele dagen later was Rutte opnieuw in Joure, ditmaal om te folderen voor dezelfde verkiezingen. Zijn secretaris had met mij al een afspraak gemaakt.”

De premier sprak met de Fries in zijn woning, hoorde van zijn verzameling en bekeek vervolgens de collectie. „Ik houd wel van oude spullen, zelf rijd ik in een gedateerde Saab”, gaf hij aan. Een bevriend fotograaf mocht erbij zijn. Hij maakte een foto van de VVD-leider in het trapgat naar de zolder. „Daarvan heb ik een afbeelding op canvas laten maken.”

Tijdens een gesprek in de woonkamer kwam de belofte van een bezoek aan het Torentje weer ter sprake. „Ook dat ging door. We waren enkele maanden later, in februari, welkom. Mijn vrouw, de fotograaf en de krant zijn meegegaan. Ik mocht even achter zijn bureau plaatsnemen en was een minuut premier van Nederland. We kregen aansluitend een kijkje in de Trêveszaal. De foto kreeg een plek in zijn werkkamer. Die heb ik later nog een keertje gezien op het journaal. Of de afbeelding er nog hangt, weet ik natuurlijk niet.”