Netherlands
This article was added by the user . TheWorldNews is not responsible for the content of the platform.

Voetbalstadions mijdt hij, maar op het scherm kijkt Nico Dijkshoorn alles

Interview

Nico Dijkshoorn, schrijver Verstand van voetbal heeft hij niet, maar de rafelranden van de sport blijven Nico Dijkshoorn fascineren. Een gesprek aan de eettafel met de schrijver en voetbalcolumnist.

Schrijver Nico Dijkshoorn (61) is een stadionmijder. Duizenden mensen die hetzelfde voetbalshirt aandoen en vervolgens synchroon van de leg zijn als de tegenstander scoort. Daar heeft hij nooit veel van begrepen. „Vroeger ging ik met mijn vader en broer nog naar De Meer. Kijken naar Cruijff, Tahamata, Van Basten, Rijkaard. Ik heb een hoop hoogtepunten voorbij zien komen. Maar ik zat er ook toen Feyenoorder Peter Houtman een verpletterend doelpunt maakte. Echt, een geweldig mooi doelpunt. Wat denk je? Al die mensen in het stadion kwaad. Want hij had tégen Ajax gescoord. Tégen Ajax.”

Voetbal kijken doet hij alleen nog maar hier. Thuis in Leiden. Waar kasten vol boeken en cd’s de wanden flankeren en een rek met gitaren meteen in het oog springt in een huiskamer van het soort waar wordt geleefd, met likeur op een bijzettafel en instant noodles in de kast.

De tv, die is deze zondagmiddag groen uitgeslagen. Dijkshoorn mag dan stadions mijden, op het scherm mist hij geen wedstrijd. Al verraadt het opengeslagen boek van Karl Ove Knausgård dat hij niet heel geconcentreerd naar RKC-NEC aan het kijken was. Ook AZ-Sparta kijkt hij met een schuin oog, al poogt hij tussen het praten door nog de doelpunten mee te pikken. „Toch maar mooi gezien”, klinkt het als hij Jesper Karlsson van AZ een strafschop ziet benutten.

We zitten aan de eettafel. Naast zijn koffiekop ligt de aanleiding voor het gesprek. De mislukte omhaal. Zijn net verschenen bundel met columns. Geschreven voor Voetbal International, het weekblad waarvoor toenmalig hoofdredacteur Johan Derksen hem elf jaar geleden vroeg te schrijven. Daarnaast heeft hij nog een waaier aan andere opdrachtgevers, van vakblad Adformatie en de Belgische krant Het Nieuwsblad, tot Het Parool en de Libelle, terwijl hij intussen nog romans schrijft.

Natuurlijk, echt bekend werd hij van De Wereld Draait Door. Daar schreef hij op de rij achter de gasten een column die hij nog tijdens de uitzending voordroeg. Sinds dat programma is gestopt, is hij nauwelijks nog op tv. „Als ze me bellen om over Gerard Reve of Cees Buddingh’ te komen praten, trek ik meteen mijn jas aan. Maar om nou mee te gaan praten over de terugkeer van de wolf of politiek... Ik heb me één keer laten verleiden door een politiek programma. Zat ik daar te lullen naast Alexander Pechtold en Frits Wester. Toen ik thuis kwam, zei mijn vriendin Tanja: ‘Dat moeten we maar niet meer doen’. En ze had gelijk.”

Voetbal, dat ligt hem meer. En dan met name de eigenaardigheden uit die wereld. De huilbuien van Dick Advocaat, de manier waarop Wout Weghorst het volkslied meezingt of de hoed waardoor Memphis Depay werd beschuldigd van sterallures. Over dat laatste: „Moeten voetballers er dan allemaal uitzien als Dirk Kuijt?” Naar eigen zeggen wordt hij gezien als iemand die er geen hol verstand van heeft, maar wel kijk heeft op de rafelrandjes van de sport. „Ik ben ook nog nooit uitgenodigd voor een programma dat echt over voetbal gaat.”

Hij verbaast zich over de voetbalwereld. Over roze voetbalschoenen. „Elektronische bh’s van spelers.” „Proleten van trainers die uit hun nek zitten te kletsen”. Dijkshoorn: „In die Feyenoord-documentaire op Disney zag je dat goed. Dan zie je Steven Berghuis zich echt afvragen waar Dick Advocaat het in vredesnaam over heeft.” Toch blijven al die voetballers in zijn ogen netjes naar hun trainer luisteren. „Dat is ze geleerd.”

Nico Dijkshoorn verbaast zich over de voetbalwereld. Over roze voetbalschoenen. Foto Roger Cremers

Dijkshoorn heeft dat laatste zelf gezien. Bij zijn inmiddels 26-jarige zoon Bob, die als kind bij AZ mocht voetballen. Leuk, dachten Dijkshoorn en zijn ex-vrouw aanvankelijk. Onwetend als ze destijds waren, wilden ze graag geloven hoe bijzonder het was dat een profclub als AZ hun zoon had beoordeeld als een potentiële prof. Hun zoon was een „wondertje”.

Later zou Dijkshoorn erover schrijven in Hard Gras. Onder meer dit: „Ik ben in en hoek van het veld gekropen en kijk zwijgend naar de wedstrijd. Mijn ex komt even langs. Hoe ik Bob vind voetballen. Goed toch wel? Hij scoorde net. ‘Hij moet het compacter houden, meer snelheid aan de bal brengen’, zeg ik. Ik schrik van mijn eigen woorden. Bob is elf.”

Dijkshoorn herinnert zich de bloedserieuze trainers die zelden complimenten uitdeelden en ouders liever op afstand hielden. Zijn zoon werd na twee jaar weggestuurd, wat vooral voelde als een ontsnapping. Dijkshoorn: „Die voetbalclubs hebben er allemaal hun mond van vol dat school ook belangrijk is, maar het gaat ze slechts om dat ene jongetje dat wel doorgaat.”

Toch heeft het avontuur bij AZ ook positieve inzichten opgeleverd, zegt hij. „De waarde van vriendschap bijvoorbeeld. Bob had het idee dat hij tweeënhalf jaar met zijn vrienden had moeten missen. Als ik zie hoeveel tijd hij nu aan ze besteedt. Ik ben meer een kluizenaar. Iemand die je zomaar een halfjaar niet kan zien.”

Afgelopen zomer schreef Dijkshoorn nog een ander stuk dat zijn lezers is bijgebleven en een plek in zijn nieuwe bundel heeft gekregen. De column over Christian Eriksen na diens hartstilstand. „Dat is wat ik voelde toen Christian Eriksen in het gras lag. Doodsangst”, schreef hij die avond. „Ik vóélde het niet alleen, maar ik herinnerde het mij. Haarscherp. Mijn tweede grote beroerte, drie jaar geleden.”

„Het was alsof de voetbalwereld knarsend tot stilstand was gekomen”, zegt hij nu aan zijn keukentafel. „Vriendschap, teamgeest. Alles stond ineens op losse schroeven.” Het ontroerde hem. Niet alleen omdat het herinneringen opriep aan zijn eigen gezondheidsproblemen die noopten tot een gezondere levensstijl. „Ik moest ook denken aan begrafenissen. Vaak neem je je dan voor om andere keuzes te maken in je leven, maar de dag erna sta je jezelf weer op te winden omdat je geen muntje voor een supermarktkarretje bij je hebt.”

Het deed hem denken aan zijn favoriete gedicht van Cees Buddingh’, de dichter die hij zo bewondert. Buddingh’ verhaalt daarin over een voetbalwedstrijd die tot stilstand komt omdat een zeppelin overvliegt. „We keken allemaal even omhoog, in de stilte, die plotseling viel, die vreemde stilte, een stilte zoals ik die alleen uit zondagsschoolboekjes kende’’, schreef Buddingh’. „Daarna ging het spel rustig verder, we wonnen met 4-2 uiteindelijk (ik maakte twee goals).”